Van KGB’ers in je kielzog tot de isolatiecel in Siberië

Patrick van Schie

Het verhaal van een Sovjet-‘dissident’ ten tijde van Brezjnev en Andropov

 

Boeksignalement van Alexander Podrabinek, Between prison and freedom. Memoir of a Soviet dissident (Indiana, 2025) 435 pp.

 

Op 25 februari 1956 stelde partijleider Nikita Chroesjtsjov in een geheime, doch reeds snel uitgelekte, rede de grootschalige terreur van zijn voorganger Stalin aan de kaak. De jaren daarop werden veel gevangenen die nog niet waren gestorven vrijgelaten uit de goelag – de gordel van concentratiekampen in de Sovjet-Unie – maar lang niet iedereen kwam vrij en de onderdrukking ging volop voort. Ook nadat Chroesjtsjov in 1964 werd afgezet bleef de vervolging van burgers die blijk gaven van eigen, van het communisme afwijkende, opvattingen doorgaan. In Between prison and freedom vertelt een ‘dissident’ uit de jaren zeventig en tachtig zijn verhaal. Het boek verscheen in 2015 in het Russisch en onlangs kwam een Engelstalige editie uit.

 

Sasja (Alexander) Podrabinek verkeerde alleen al omdat hij een joodse jongen was in de Sovjet-Unie in een achtergestelde positie. Hij maakte het zichzelf niet makkelijk door na een kort lidmaatschap uit de Komsomol – de jeugdbeweging, waarvan ieder kind eigenlijk lid diende te zijn – te stappen en later bewust te weigeren lid te worden van de communistische partij. Een poging tot de universiteit te worden toegelaten liep daardoor spaak. De decaan ‘bladerde door mijn dunne dossier en vroeg mij waarom ik geen Jonge Communist was. Ik antwoordde kort dat ik dat niet wilde zijn. De decaan keek mij bedachtzaam aan en zei dat er niets was wat hij kon doen om mij te helpen.’

 

Wel wist Podrabinek in Moskou aan de slag te komen als technisch laborant. Hij verdiepte zich in het lot van dissidenten die voor straf werden opgesloten in psychiatrische inrichtingen, wat ten tijde van partijleider Brezjnev (leider van 1964 tot 1982) een veelgebruikte strafmethode voor politieke gevangenen was. Podrabinek kwam met veel bekende dissidenten in aanraking en beschreef de ervaringen van een vijftiental dissidenten die in psychiatrische inrichtingen terecht waren gekomen in het boek Punitive medicine.

 

Uiteraard kwam hij op die manier zelf in het vizier van de autoriteiten. In de tweede helft van de jaren zeventig werd Podrabinek op een gegeven moment permanent in de gaten gehouden door de KGB. Waar hij ook heen ging, hij werd door KGB’ers gevolgd – ‘de staart’ – die niet eens poogden om dit stiekem te doen maar hem openlijk bespioneerden. Soms liep hij op straat met aan beide zijden een KGB-agent naast zich, die over zijn hoofd heen met elkaar een gesprek voerden. Dit openlijk volgen moest hem intimideren. Een enkele keer lukte het Podrabinek toch even aan zijn achtervolgers te ontsnappen. Dit had niet meteen gevolgen omdat een KGB-agent zoiets liever niet rapporteerde. Op het uit het oog verliezen van een ‘object’ stond namelijk voor de agent in kwestie een sanctie.

 

Nadat Podrabinek al een enkele keer kortstondig was gearresteerd volgde uiteindelijk een schijnproces met een veroordeling tot ballingschap naar een gehucht in de buurt van de Siberische plaats Jakoetsk. Daar werd na enkele maanden een aanklacht gefabriceerd om Podrabinek te kunnen opsluiten. Een groot deel van de tijd in enkele kampen bracht hij door in een strafcel of een isolatiecel. Menig gevangene raakt ontregeld van verblijf in een cel zonder enig menselijk contact maar Podrabinek kon er relatief goed tegen. Kou, honger en eenzaamheid zijn de ergste vijanden van een gevangene, schrijft de auteur, en op elk van deze drie ontberingen gaat hij nader in. Van de drie was kou volgens hem de allerergste. ‘Je kunt je over eenzaamheid heen zetten, aan honger kun je gewend raken maar het is onmogelijk aan kou gewend te raken.’ Weliswaar bestond er een wet die stelde dat het in een cel niet kouder dan 18 graden Celsius mocht zijn maar wanneer een gevangene erover klaagde kwam de bewaking met een thermometer die hoe koud het ook was altijd 18 graden aangaf. In werkelijkheid heerste er meestal vrieskou.

 

Fysieke foltering kwam eind jaren zeventig en begin jaren tachtig minder voor dan ten tijde van Stalin maar was niet verdwenen. Podrabinek beschrijft de keren dat hij deze moest ondergaan. Ik neem als voorbeeld de laatste die hij noemt: het bestoken van de gevangenen met chloordampen in hun cel, die iemand niet alleen op dat moment de adem benemen maar ook blijvende schade kunnen aanrichten. Tijdens zijn verblijf in een kamp kregen de gevangenen het bericht van het overlijden van Brezjnev. Er brak gejuich uit. De vreugde was echter van korte duur want onder Brezjnevs opvolger Andropov, voorheen de chef van de KGB, werd het kampregime slechts harder.

 

Tegen het einde van de hem opgelegde straftijd bekroop Podrabinek de onzekerheid of hij wel zou worden vrijgelaten of dat de kampleiding, op instructie van hogerhand, iets zou verzinnen om zijn straf te verlengen. Het bizarre van een totalitair systeem als het communisme is hoe hij erachter kwam dat hij werkelijk zou worden vrijgelaten. Dat besef kwam toen zijn vrouw hem vertelde dat zij erachter was gekomen dat de KGB afluistermicrofoons in hun appartement had geplaatst. Nu wist Podrabinek dat het ‘spel’ met ‘de staart’ weer werd voorbereid, zodat een hernieuwde fase van leven in bespioneerde vrijheid in aantocht was.