door Patrick van Schie
Op 1 augustus 1975 kwamen leiders van 35 staten – uit Europa plus de Verenigde Staten en Canada – bijeen in de nieuwe modernistische Finlandia Hall te Helsinki. Zij zetten daar hun handtekening onder een overeenkomst van ongeveer 22.000 woorden, de Slotakte van Helsinki. Deze Slotakte zou nieuwe, betere verhoudingen moeten bewerkstelligen tussen Oost en West, tussen het communistische blok onder aanvoering van de Sovjet-Unie en het vrije Westen. De neutrale staten waren eveneens vertegenwoordigd, zelfs Zwitserland en het Vaticaan, dat voor het eerst sinds het Congres van Wenen (1815) aan een topconferentie deelnam. Wat was de betekenis van de Slotakte? Vormde zij werkelijk het begin van nieuwe verhoudingen?
Van Molotov-voorstel tot Manden-overleg
Het voorstel tot een conferentie om de naoorlogse verhoudingen te bestendigen kwam oorspronkelijk, in 1954, van Vjatsjeslav Molotov, minister van Buitenlandse Zaken van de Sovjet-Unie. Het Westen hield de boot af, omdat Molotov een Europese conferentie wilde, dat wil zeggen een conferentie zonder deelname van de Verenigde Staten en Canada. In zo’n setting zou de Sovjet-Unie de besprekingen kunnen domineren en in staat zijn geweest de nog jonge Navo uit elkaar te spelen. Ook West-Duitsland trapte daar niet in, want hoewel dat land graag hereniging met de Duitse Sovjet-zone (de ‘DDR’) zag besefte bondskanselier Konrad Adenauer dat de toekomst van zijn land in het Westen lag, als vrije democratie. De Sovjet-Unie herhaalde dit voorstel van Molotov menigmaal maar zolang zij de Verenigde Staten en Canada niet als gesprekspartners op zo’n conferentie wilde accepteren en bovendien ontbinding van de Navo als voorwaarde eiste, was het voorstel kansloos.
In maart 1969 leek hierin verandering te komen nadat de Sovjet-Unie in een verklaring genoemde voorwaarde niet vermeldde en nu ook bereid leek de Verenigde Staten en Canada als gesprekspartners te accepteren. Dat de oude blokkades inderdaad werden opgeheven werd op 3 april 1969 door Sovjet-ambassadeur in Washington DC, Anatoli Dobrynin, tegenover Henry Kissinger, de Nationale Veiligheidsadviseur van de Amerikaanse president Nixon bevestigd. In november 1972 startten de besprekingen voor de Conferentie over Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) op ambassadeursniveau, vanaf juli 1973 werden zij op ministerieel niveau voortgezet.
Op voorstel van de Zwitserse ambassadeur was besloten het overleg over vier zogenoemde ‘manden’ te verdelen. De 1e en de 3e mand vormden de kern. De 2e mand ging over handelsbetrekkingen – niet zonder belang overigens want de communistische landen zaten verlegen om Westerse producten en deviezen terwijl de West-Duitse regering onder leiding van Willy Brandt hoopte zo Wandel durch Handel (versoepelingen in communistische landen via de weg van handelsbetrekkingen) te kunnen bereiken – terwijl in de 4e mand procedurele afspraken over het vervolg zouden worden gemaakt.
Populair wordt het vaak zo voorgesteld alsof in de 1e mand de beginselen van niet-inmenging in elkaars binnenlandse aangelegenheden en erkenning van de bestaande grenzen werden vastgelegd en in de 3e mand de mensenrechten maar dat is niet geheel juist. Wel is het zo dat de Sovjet-Unie en de marionettenregimes in haar satellietstaten vooral belang hechtten aan de 1e mand en het Westen aan de 3e mand. Maar niet uitsluitend aan de 3e mand. Want in de 1e mand werden ook beginselen vastgelegd als de vrijheid van gedachte, van geweten en van religie; dit waren concessies van de Sovjet-Unie en haar satellieten. De reden dat de communistische staten desalniettemin zo hechtten aan de 1e mand was dat hierin de soevereiniteit van staten werd erkend compleet met de niet-inmenging in elkaars binnenlandse aangelegenheden, en dat er afspraken werden gemaakt over de bestaande grenzen. Toch geschiedde dat laatste niet geheel naar de zin van de Sovjet-Unie en de kleinere communistische staten. Met betrekking tot de grenzen werd namelijk níet afgesproken – zoals het Oostblok eigenlijk wilde – dat zij onveranderlijk waren maar dat zij slechts op vreedzame manier en met wederzijdse instemming zouden kunnen worden gewijzigd.
De 3e mand betrof de vrije uitwisseling van mensen en ideeën, zoals het recht op gezinshereniging, kennisneming van elkaars media en culturele uitwisselingen. Tussen de afspraken over mensenrechten (neergelegd in de 1e én de 3e mand) en het beginsel van niet-inmenging zat natuurlijk al meteen een innerlijke tegenstrijdigheid.
Uitspraken van regeringsleiders en eerste reacties op de Slotakte
De Amerikaanse president Gerald Ford verklaarde op de slotbijeenkomst in Helsinki te hopen dat de volkeren van Oost-Europa zouden beseffen dat het Amerikaanse volk en zijn regering toegewijd waren aan mensenrechten en fundamentele vrijheden ‘en daardoor ook aan de beloften die op deze conferentie tot stand zijn gekomen ten aanzien van vrijer verkeer van mensen, ideeën en informatie. In zijn memoires beweerde hij dat hij Sovjet-leider Leonid Brezjnev aankeek terwijl hij deze woorden sprak en vervolgde dat heel Europa en Noord-Amerika het ‘volkomen beu’ waren ‘om hun hoop bedrogen te zien door lege woorden en niet-nagekomen beloften’.
Brezjnev op zijn beurt verklaarde juist: ‘Het meest essentiële element in het slotdocument is dat niemand moet proberen andere volken op basis van welke overwegingen van buitenlandse politiek dan ook voor te schrijven hoe zij hun binnenlandse aangelegenheden dienen te regelen.’ Dat voorspelde weinig goeds voor de naleving van de beloften. Brezjnev wilde graag een akkoord in verband met de erkenning van de status-quo inzake de grezen. De befaamde historicus John Lewis Gaddis schrijft in zijn boek The Cold War: ‘The Kremlin l,eader was almost capitalist in the importance he attached to this contractual obligation, which he believed would discourage future “Prague Springs”, reinforce the Brezhnev Doctrine, deflate dissidents inside the U.S.S.R., and ensure his reputation as a man of peace.’ Brezjnev wilde de overeenkomst bovendien afronden vóór zijn bezoek aan de Verenigde Staten later dat jaar. Maar hij had in eigen land te maken met verzet tot in het Politburo aan toe van een groep onder wie topideoloog Michail Soeslov. Toch had Brezjnev weten door te zetten. Zijn minister van Buitenlandse Zaken Andrej Gromyko had betoogd ‘Wij zijn meesters in ons eigen huis’, oftewel wij bepalen zelf wel wat de woorden over meer vrijheid en mensenrechten daadwerkelijk betekenen. Brezjnevs toespraak in Helsinki reflecteerde die opvatting.
In het Westen waren er meteen kritische, sceptische geluiden. De West-Duitse CSU-leider Franz Joseph Strauss bijvoorbeeld noemde de Slotakte een tweede München (het akkoord uit 1938 waar Groot-Brittannië en Frankrijk Tsjechoslowakije offerden aan Hitler), Ronald Reagan en Margaret Thatcher (beiden nog niet aan de macht) veroordeelden het net als de Franse filosoof Raymond Aron als naïef, en de Amerikaanse pers was kritisch van de conservatieve Wall Street Journal tot en met de liberal New York Times. Deze laatste krant schreef: ‘Never have so many struggled for so long over so little.’ Er zou alles aan moeten worden gedaan vervolgde de NYT ‘to prevent euphoria in the West’.
Dissidenten uit en in het Sovjet-blok
Verschillende ‘dissidenten’ uit de communistische landen waren eveneens scherp in hun oordeel. Aleksander Solzjenitsyn, de beroemde dissident en schrijver van De Goelag Archipel die een jaar eerder naar het Westen was uitgewezen, typeerde de Slotakte als ‘de begrafenis van Oost-Europa’. De vice-voorzitter van een organisatie van Letten in de VS, Oswalds Akmentis, zei voorafgaand aan de topconferentie: ‘President Ford will sign his name on a miserable and un-American treaty – a treaty which buries the hopes of millions of Eastern European peoples in ever securing freedom and independance.’ Overigens erkenden de Verenigde Staten met het ondertekenen van de Slotakte, anders dan wel is beweerd, niet de annexatie van de Baltische staten door de Sovjet-Unie. De Tsjechische dichter Egon Bondy kwalificeerde de Slotakte als ‘een walgelijk pact’ en een ‘universele onderwerping’. Daarbij moet wel worden bedacht dat de Slotakte geen verdrag was maar niet meer dan een intentieverklaring.
Over de intenties van de Sovjet-leiders en de andere communistische machthebbers hoeven geen illusies te bestaan. Toch oordeelde een van de grootste kenners van de Sovjet-Unie, historicus Adam Ulam in zijn boek The Communists achteraf dat er in de Slotakte naast zaken die Brezjnev c.s. graag wilden ook veel vastlag ‘that would greatly embarrass the Soviet Union. The dissidents would invoke the Helsinki Final Act as the legal and moral base of their stand.’ Dat de partij- en regeringskranten van de Sovjet-Unie, de Pravda en de Izvestia, de tekst van de Slotakte integraal afdrukten (net als Neues Deutschland in de DDR en de Rude Pravo in Tsjechoslowakije) hielp daarbij. Het bood dissidenten de gelegenheid de communistische leiders aan hun eigen beloften te herinneren.
In mei 1976 werd in de hoofdstad van de Sovjet-Unie de Moskou Helsinki Groep opgericht, waarvan mensen als Sacharov, Sjtsjaranski en Orlov deel uitmaakten. Niet veel later ontstond in Polen KOR, het Comité ter verdediging van de arbeiders, een club van intellectuelen die in 1980 naast vakbond Solidariteit de kern van de massale anti-communistische verzetsbeweging zou vormen. En in januari 1977 brachten 242 dissidenten in Tsjechoslowakije, onder wie Vaclav Havel, Charta 77 uit, dat algauw zo’n 1900 ondertekenaars kende.
De Sovjet-leiders en hun marionetten in de kleinere communistische landen zouden na 1975 niet ophouden ‘dissidenten’ te vervolgen en de vrije meningsuiting en nieuwsgaring te onderdrukken. Dat zat in de aard van hun regime; zonder zulke onderdrukking kan ook geen communistische heerschappij blijven bestaan. Maar dankzij de Slotakte van Helsinki werd wel de hypocrisie van de communistische heersers onderstreept. Hun beloften waren duidelijk weinig waard. Vrije uitwisseling van ideeën en mensenrechten in het algemeen kunnen onder het communisme nooit bestaan. Brezjnev noemde dit letterlijk ‘gif’ dat buiten de deur diende te worden gehouden. De Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken George Shulz daarentegen vond enkele jaren later, in 1983, dat de Sovjet-Unie beter kon ophouden ‘being afraid of its own people’.
Image: Photo taken at a later staGe of Czech President Vaclav Havel’s political career, speaking at the opening ceremonies of the IMF/World Bank Annual Meetings in Prague. Annual Discussion. Source: http://www.imf.org/external/photo/allphoto.asp?g=12. Photo is in public domain as mentioned here: https://commons.wikimedia.org/wiki/File:Vaclav_Havel_IMF.jpg?uselang=nl#Licentie



Follow Us!