Waarom flirten nogal wat Westerse intellectuelen met het communisme?

Bespreking van: Raymond Aron, Het opium van de intellectuelen (1e publicatie in het Frans, 1955)

 

Patrick van Schie

 

Nergens in West-Europa zijn intellectuelen zo gefascineerd geweest door het communisme en door de Sovjet-Unie als in Frankrijk. Het was daarom passend dat 65 jaar geleden – in 1955, midden in de Koude Oorlog – een van de weinige liberale denkers in Frankrijk, Raymond Aron, een verklaring aan dit fenomeen trachtte te geven. Waarom gaven de toonaangevende intellectuelen in Frankrijk af op het Westen met al zijn vrijheid waarvan zij zelf zo uitbundig profiteerden en waarom loofden zij het systeem achter het IJzeren Gordijn dat hen, hadden zij er zelf gewoond, voor soortgelijke kritiek gegarandeerd in kampen zou hebben opgesloten?

Aron had in het bijzonder twee linkse intellectuelen op het oog: Jean-Paul Sartre, die bij menigeen nog altijd faam geniet, en Maurice Merleau-Ponty, een tegenwoordig zo goed als vergeten filosoof. Beiden waren geen lid van de Franse Communistische Partij maar stemden er wel op. Beiden waren als filosoof existentialist – hun aandacht gericht op het individu, zijn authenticiteit en zijn lot – maar zij zagen zingeving in het collectivistische marxistische vertoog van de onvermijdelijke overwinning van het proletariaat en de komst van een communistische maatschappij. In hun kielzog dachten tal van intellectuele types destijds hip te zijn door te flirten met het communisme.

In zijn analyse betrok Aron eveneens de situatie in andere landen, in het bijzonder Groot-Brittannië, de Verenigde Staten plus enkele grote Aziatische landen (Japan, China, India). Niet overal dweepten intellectuelen in dezelfde mate met het communisme. Naast enkele factoren die maakten dat intellectuelen overal extra bevattelijk leken te zijn voor de ‘verleiding’ van de schijnbaar alomvattende leer van het communisme, wees Aron factoren aan die voor Frankrijk in het bijzonder golden.

Twee van deze laatste factoren sprongen er uit. Fransen nemen ideeën serieuzer dan de meer pragmatische Anglo-Amerikanen, omdat Fransen hun ideeën (uit de Franse Revolutie) als hún bijzondere bijdrage aan de wereld beschouwen. Hoe minder praktisch ideeën zijn, des te interessanter vinden Fransen ze bovendien, merkte Aron op. Daarnaast speelde de ideologische strijd des te heftiger in landen van de tweede-rang, en dan bovenal in die landen die niet konden verkroppen dat de tijd dat zij op het wereldtoneel de eerste viool speelden voorbij was. Aron spaarde zijn eigen land, zo zien we, bepaald niet.

Links gaf in de 20e eeuw aan de ideeën uit de Franse Revolutie een heel andere betekenis dan die ideeën oorspronkelijk bezaten, meende Aron. Zo werd de Rede vervangen door de mythe van de Revolutie. En oog hebben voor gelijkheid was bij twintigste-eeuws links verworden tot de mythe van een op het voetstuk geplaatst proletariaat. Maar: louter als idee. In werkelijkheid interesseerde het lot van de arbeiders de intellectuelen helemaal niet. Een arbeider in Detroit werd per definitie gezien als ‘uitgebuit’ ook al waren zijn omstandigheden in alle opzichten veel beter dan die van de arbeider in Charkov, die echter per definitie níet gold als uitgebuit maar als ‘geëmancipeerd’. Ook al had de arbeider in Charkov géén recht op een vrije vakbond en liep hij het risico zomaar naar een kamp in Siberië te worden gestuurd. Dit stramien hanteerden de linkse intellectuelen die het communisme prezen steeds. ‘Zij die vrijheid eisen voor de volkeren van Azië en Afrika, maar niet voor de Polen en Oost-Duitsers, zijn zij mannen van links?’, vroeg Aron.

Arbeiders in het Westen waren er in 1955 allang niet meer zo slecht aan toe als in de 19e eeuw, en wat voor veel linkse intellectuelen blijkbaar bijzonder zuur was dat zij niet langs de door Marx voorspelde weg beter af waren geworden maar in het kapitalistische systeem. En dan waren zij ook nog eens het beste af uitgerekend in de Verenigde Staten. Het land waar de Franse intellectuelen alleen al een hekel aan hadden omdat de VS in plaats van Frankrijk nu de toonaangevende natie vormden. De Amerikaanse arbeiders waren daarbij tevreden met hun welvaart en met de (door de intellectuelen) verfoeide massa-consumptie. Ziedaar waar de solidariteit van deze intellectuelen met de arbeiders ophield. Zij deelden de waarden van de gewone arbeiders in het geheel niet maar keken op hun materialisme neer. Aan de oevers van de Seine hunkerden deze intelligentsia naar erkenning van haar ideeën-wereld, die per definitie exclusief en, schreef Aron jennend, ‘aristocratisch’ was.

Voor intellectuelen is de echte emancipatie van de arbeider in Groot-Brittannië of in Zweden zo saai als een Engelse zondagsschool, aldus Aron. Revolutie, daar moest het heil van komen. Niet van hervormingen binnen het bestaande systeem. Die revolutie, bij voorkeur elders, werd door de pro-marxistische intellectuelen als iets heroïsch voorgesteld. Maar, wierp Aron tegen: ‘Revolutionaire macht is per definitie een tirannieke macht. Hij werkt met minachting voor het recht, en drukt de wil uit van een minderheid.’ Bovendien wordt de tirannieke fase altijd als tijdelijk voorgespiegeld, maar je komt er nooit meer van af. ‘Revolutie en democratie zijn tegenstrijdige begrippen.’

De marxistisch gezinde intellectuelen in Parijs zagen in de revolutie een ontsnapping aan het middelmatige ‘burgerlijke’ bestaan, vanuit hun eigen veilige studeerkamers welteverstaan. Maar revolutie heeft niets aantrekkelijks. Vreemd genoeg echter, merkte Aron op: ‘hoewel de romantiek van de oorlog in de modder van Vlaanderen is begraven, is de romantiek van de burgeroorlog erin geslaagd de kerkers van de Ljoebljanka [de KGB-gevangenis in Moskou; PvS] te overleven. Soms vraag je je af of de mythe van de Revolutie wel te onderscheiden is van de Fascistische cultus van geweld.’

Aron besteedde ongeveer een-derde deel van zijn boek aan de verwerping van de gedachte dat de geschiedenis een doel heeft, en dan in het bijzonder het marxistische geloof in het einddoel van een klassenloze maatschappij na de grote Kladderadatsj [Marx’ zijn revolutie; PvS]. Hier is duidelijk de invloed van Karl Popper zichtbaar, een vriend van Aron die dit geloof in een geschiedkundig doel al tien jaar eerder had verworpen in zijn boek The poverty of historicism. Van Popper komt dan ook het door Aron overgenomen begrip historicisme’, dat niet onder historici maar eerder onder (tal van) sociale wetenschappers en filosofen populair was (of is): de gedachte dat ‘de geschiedenis’ zich wetmatig naar een bepaald eindpunt beweegt. Marxisme was volgens Aron en seculiere verlossingsleer. Individuen kunnen zich een doel in hun (eigen) leven stellen, dé geschiedenis als zodanig kent geen doel. ‘Een valse geschiedfilosofie brengt slechts fanatisme voort.’

De intellectuelen die het communisme bewonderden voerden graag de mythe van het proletariaat op, maar hadden – zoals we al zagen – weinig op met echte arbeiders. Die misten, zoals Lenin al had beweerd, klasse-bewustzijn. Daarom had de leider van het Russische communisme de partij aangewezen als ‘de voorhoede’ van de revolutie. Het proletariaat zelf had dus geen weet van zijn historische missie, maar ‘gelukkig’ had de partij deze wijsheid wel in pacht. Deze constructie voerde, zo legde Aron uit, tot de perverse conclusie dat wie ten aanzien van deze missie, zoals door de partijtop vastgesteld, een afwijkend geluid liet horen, een verrader van het proletariaat was. Ook al kwam het dissidente geluid wellicht van een arbeider, terwijl de partijtop uit (zelfbenoemde) intellectuelen bestond. In een communistisch systeem kan de partij geen vergissing  begaan. ‘De ware communist is de man die het hele Sovjet-systeem accepteert zoals gedicteerd door de Partij. De ware “Westerling” is de man die niets uit onze beschaving zonder meer accepteert behalve de vrijheid die hem toestaat haar te bekritiseren en hem de kans geeft haar te verbeteren.’

 

Arons analyse uit 1955 van wat de meelopers met het communisme bewoog was niet geheel nieuw. Al ruim voor zijn boek verscheen was het communisme aangeduid als een nieuw, seculier geloof. En al in de 19e eeuw meenden sommige denkers dat het academisch vormen van mensen zonder dat er voldoende emplooi voor hen was, het risico in zich borg van het ontstaan van een ontevreden klasse ‘intellectuelen’ die zich uit een gevoel van miskenning tegen het bestaande systeem zou gaan keren. Toch was het boek van Aron welkom en in het uiterst-linkse intellectuele klimaat in het Frankrijk van de jaren vijftig ook moedig.

Dat maakt het nog steeds niet begrijpelijk dat sommigen menen dat (andere) mensen mogen worden opgeofferd aan een tot heilig verklaard ‘hoger’ doel. Of dat zij blind zijn voor de gevaren van machtsconcentratie. En erger: dat zij wegkijken van de misdaden gepleegd door totalitaire regimes, of die misdaden zelfs goedpraten.

Helaas is dit verschijnsel nog altijd niet verdwenen. Bij alle onrecht dat ultra-links graag aan de kaak zegt te stellen, zwijgt men daar over de grootschalige misdaden van de communistische regimes in China en Noord-Korea. Ooit was Latijns-Amerika in linkse kringen populair als vermeend slachtoffer van Amerikaans imperialisme, maar nu de destijds toegejuichte ‘vrijheidsstrijder’ Daniel Ortega zich als president van Nicaragua heeft ontpopt als wreed dictator, is het in deze kringen stil. Evenmin is er daar aandacht voor het feit dat Venezuela, ooit het rijkste land van Zuid-Amerika, onder een kwart eeuw communisme is vervallen tot het armste land van het continent; het verkeert inmiddels in massale hongersnood.

Nog altijd worden dus aan de uiterst linkerzijde van het politieke spectrum wandaden van communistische regimes weggepoetst of goedgepraat. Des te meer is het noodzaak de aandacht te blijven richten op het leed dat communisme eenmaal aan de macht steevast onder gewone burgers aanricht.