door Patrick van Schie
[De minder algemeen bekende feiten en de citaten zijn op basis van Ilko-Sascha Kowalczuk, Walter Ulbricht. Der kommunistische Diktator (München 2024) ISBN 9783406813962, 956 pp.]
In de Berlijnse Muur is al bijna een half statistisch mensenleven geleden een bres geslagen. Kort daarop stortte deze Muur in. De heerser achter de Muur die de meeste wat oudere mensen zich zullen herinneren was Erich Honecker, die slechts een maand tevoren 40 jaar Deutsche Demokratische Republik (DDR) met een gebruikelijke parade had gevierd. Hoewel Honecker in augustus 1961 de directe leiding had over de bouw van de Berlijnse Muur, was het besluit destijds genomen door zijn voorganger als eerste partijsecretaris van de communisten: Walter Ulbricht. Híj was de eerste Oost-Duitse dictator, en het was na zíjn aandringen dat Moskou toestemming gaf om de Muur die Berlijn in tweeën sneed te bouwen. Ulbricht was vanaf het einde van de Tweede Wereldoorlog tot ongeveer 1970, oftewel de eerste 25 jaar, de machtigste Duitser in de Sowjetische Besatzungszone (SBZ), vanaf 1949 DDR genaamd.
Charismatisch was Ulbricht allerminst. Zijn macht berustte noch daarop noch op enig redenaarstalent. Zijn grote steunpilaar was Moskou. Daar verbleef hij tijdens de Tweede Wereldoorlog en terug in Duitsland, in het kielzog van het Rode Leger, knoopte hij reeds op 4 mei 1945, vier dagen na Hitlers zelfmoord en nog vóór de Duitse overgave aan de geallieerden, goede betrekkingen aan met generaal Bersarin, de Sovjet-commandant in de stad Berlijn. Stalin vertrouwde, voor zover hij überhaupt iemand vertrouwde, communisten uit de te vormen Oost-Europese satellietstaten meer dan partijgenoten die in hun eigen land waren gebleven of die naar neutrale landen waren gevlucht. De communisten die de oorlog in Moskou hadden doorgebracht had hij immers meer in zijn greep.
Wolfgang Leonhard, een partijgenoot die met Ulbricht in Moskou had vertoefd en tot zijn vlucht in 1949 (omdat hij met de Joegoslavische leider Tito sympathiseerde) als propagandist optrad, schreef in 1963 over Ulbricht: “Hij richtte nooit een persoonlijk woord tot mij. Ik heb hem nooit over het lot van een mens horen spreken.” Maar Ulbricht was ijverig, maakte vaak werkdagen van wel zestien uur, had ook organisatietalent, en zorgde ervoor dat hij bruikbare informatie over anderen paraat had. Menigeen was sowieso verbaasd over zijn uitgebreide detailkennis.
Menselijk leed deed hem niets, wat overigens typerend was voor communistisch kader. Soldaten van het Rode Leger hebben vanaf hun opmars door Oost-Pruisen begin 1945 tot aan de zomer van 1946 naar schatting ongeveer 1,9 miljoen Duitse vrouwen en meisjes verkracht; 40% van de slachtoffers is vaker dan één keer verkracht. De Sovjets plunderden bovendien massaal het door hen bezette deel van Duitsland. Maarschalk Zjoekov, de hoogste legerleider, liet zelfs zeven treinwagons vol aan “trofeeën” naar zijn eigen woningen en datsja’s brengen. Het enige waarover Ulbricht zich al die tijd zorgen maakte was dat zijn communistische partij – de KPD, later met de socialisten versmolten tot de Sozialistische Einheitspartei Deutschlands (SED; die volledig door de communisten werd beheerst) – door de bevolking zou worden gezien als “Russenpartei”.
De SED was inderdaad minder populair dan je in een door de Sovjets bezet gebied vol intimidatie en geweld van de machthebbers zou verwachten. Bij gemeenteraadsverkiezingen in september 1946 haalde de SED in de oostzone gemiddeld rond de helft van het aantal stemmen; maar in veel gemeentes waren de (ook onder controle staande) CDU en LDP van deelname uitgesloten terwijl talloze ongeldige stemmen niet werden meegeteld. Ook de Sovjets hadden door dat de SED helemaal niet zo populair was. In mei 1949 stemde inmiddels 61% van de kiezers voor de eenheidslijst SED. Maar nu waren alle ongeldige stemmen (zelfs op het stembiljet aangebrachte leuzen tegen de SED) meegeteld als stemmen vóór de partij. De Sovjets trokken de conclusie dat ruim een derde van de bevolking in de SBZ bereid was tot actieve weerstand. Toch werd bij de stichting van de DDR op 7 oktober van dat jaar de macht formeel overgedragen aan de SED, en daarmee aan Ulbricht. Vier dagen later vierde de SED dit met een massale fakkeloptocht op de voornaamste boulevard van Oost-Berlijn: Unter den Linden. Het deed veel toeschouwers denken aan de viering door de nationaal-socialisten van Hitlers machtsovername in januari 1933.
Opstand van de arbeiders en oppositie in de partij
Dat de SED ondanks de schijn die de verkiezingsfraudes moesten wekken en de uitoefening van geweld door het communistische regime, niet populair was bleek in juni 1953, tijdens de massale opstand in Oost-Berlijn en tal van andere Oost-Duitse plaatsen [https://eioco.nl/nl/17-juni-1953-arbeiders-tegenover-de-zogenaamde-arbeidersstaat-ddr/]. Pijnlijk voor de partij die zich erop voorstond ‘arbeiderspartij’ te zijn, was dat 88% van de door de eigen DDR-rechtbanken veroordeelde opstandelingen arbeider was. Pijnlijk voor Ulbricht zelf was dat een van de meest gehoorde leuzen luidde: “Spitzbart muss weg!” [Ulbricht stond bekend om zijn puntbaardje].
Het geweld van de Sovjet-tanks was in staat de opstand te onderdrukken – alsmede 60 à 80 opstandelingen in gevechten te doden plus 500 tot 750 opstandelingen door militaire tribunalen van het Rode Leger te laten executeren – maar het kon geen werkelijke steun aan het regime afdwingen. Opmerkelijk genoeg wist Ulbricht zijn positie in deze periode toch te verstevigen, omdat zijn tegenstanders in de partijtop op Beria hadden gewed, die na Stalins dood aanvankelijk goede kaarten leek te hebben om in het Kremlin de eerste man te worden. Geheime dienstleider Beria werd echter juist in juni 1953 door zijn tegenstanders in het Kremlin onschadelijk gemaakt: eerst gearresteerd, een half jaar later geëxecuteerd. Na een bezoek aan Moskou, terwijl de haarden van de opstand in de DDR nog smeulden, verkreeg Ulbricht van de daar nu heersende groepering de benodigde steun.
Na de geheime rede van Sovjet-leider Chroesjtsjov op het 20e partijcongres van de CPSU (de communistische partij van de Sovjet-Unie) in februari 1956 vlamde de kritiek op Ulbricht ook in het Politburo van de SED op. Fred Oelβner beschuldigde Ulbricht ervan een stalinistische persoonscultus om zich te hebben geschapen, die na Stalins dood zelfs nog erger zou zijn geworden. “Jede öffentliche Kritik am Genosse Ulbricht ist als unzulässig erklärt.” Zijn gelijk bleek eigenlijk al uit het feit dat de andere Politburoleden Oelβner niet durfden bij te vallen. Later dat jaar kreeg Ulbricht van Chroesjtsjov toestemming om met Oelβner af te rekenen. In 1958 werden ook de resterende critici in de partijtop kalltgestelt. Honderden “Revisionisten” [communisten die kritiek op Ulbricht hadden durven uit te oefenen of daarvan verdacht werden] belandden in de gevangenis. Een Oost-Duitse tijdgenoot merkte treffend op: “Walter Ulbricht sei der einzige, der frei und offen seine Meinung sagen könne: das sei die Despotie.”
‘Niemand hat die absicht…’
In 1959 en 1960 maakte de DDR een agrarische crisis door, die (zo zag ook Chroesjtsjov het) grotendeels was veroorzaakt door een nieuwe golf van collectivisering van de landbouw waartoe de SED had besloten. Mede daardoor steeg ook het aantal vluchtelingen vanuit de DDR naar de (Westerse) Bondsrepubliek weer (in 1959 was dat aantal gedaald tot 174.000, nadat het in de jaren 1955-1957 steeds om ieder jaar bijna 400.000 was gegaan). Eind maart 1961 noemde Ulbricht West-Berlijn een “gat”, met de (onuitgesproken) implicatie dat dit gat gedicht diende te worden. Het was immers via het door de vier geallieerde mogendheden nog altijd bezette Berlijn dat mensen vrijelijk van de oostsector naar een van de drie westsectoren konden reizen.
Op 15 juni 1961 hield Ulbricht een persconferentie waar hij verklaarde dat het internationaal bezien normaal was dat mensen toestemming dienden te vragen alvorens zij naar het buitenland konden reizen. Hierop vroeg de journaliste Annamarie Doherr van de Frankfurter Rundschau of er een grens aan de Brandenburger Tor (waar de door de Sovjet-Unie bezette oostsector overging in de Britse westsector) zou worden opgericht. Ulbricht beweerde in zijn antwoord dat er in de Bondsrepubliek mensen waren die wilden dat de DDR een muur zou oprichten, maar: “Mir ist nicht bekannt, daβ eine solche Absicht besteht. […] Niemand hat die Absicht eine Mauer zu errichten.”
In werkelijkheid drong Ulbricht allang bij Sovjet-leider Chroesjtsjov aan op toestemming om de toegang tot West-Berlijn af te sluiten en waren de voorbereidingen tot de bouw van de Muur in volle gang. In juli kreeg Ulbricht eindelijk van het Kremlin het door hem verlangde groene licht. In de nacht van 12 op 13 augustus 1961 werd de Muur gebouwd. Alleen al in de rest van het jaar zouden meer dan 4.000 Oost-Duitsers worden veroordeeld omdat zij op een of andere manier blijk hadden gegeven van hun ongenoegen over de Muur. De Berlijnse Muur maakte Ulbricht onsterfelijk, zo schrijft zijn biograaf Kowalczuk. Een van de eerste slachtoffers bij een vluchtpoging over de Muur was Peter Fechter [https://eioco.nl/nl/doodbloedende-vluchteling-symbool-voor-de-wreedheid-van-de-berlijnse-muur/]. De West-Duitse journalist Matthias Walden schreef in 1973 bij gelegenheid van Ulbrichts 80e verjaardag in de West-Duitse krant Die Welt: “Peter Fechter starb mit 18 Jahren. Walter Ulbricht wurde soeben 80.”
Honeckers mes in de rug
In de jaren zestig leek Ulbricht op de top van zijn macht te staan. De meeste Oost-Duitsers berustten in het feit dat hun staat tot een openlucht gevangenis was gemaakt. Economisch ging het wat beter, al geloofden de Oost-Duitsers blijkens opiniepeilingen niet in de propaganda van het regime dat de DDR een van de rijkste landen ter wereld zou zijn. Alleen al dankzij de West-Duitse media wist men wel beter. Tekenend was dat van de ondervraagde Oost-Duitse vrouwen slechts 3% zei zonder enige bedenking damesmode uit een van de Volkseigene Betriebe (VEB; Oost-Duitse staatsbedrijven) te kopen.
Najaar 1964 maakte Ulbricht een cruciale fout. Uiteindelijk berustte zijn macht op steun uit Moskou, en zijn eigen bereidwilligheid wat het Kremlin wenste uit te voeren ook wanneer hij het er eigenlijk niet mee eens was. Maar toen Brezjnev en Kosygin dat najaar Chroesjtsjov afzetten, liet Ulbricht zijn afkeuring openlijk in de pers blijken. Brezjnev zou het hem nooit vergeven. Het gaf Honecker, ooit de trouwe terriër van Ulbricht, de kans in de periode 1970-71 met succes aan Ulbrichts stoelpoten te zagen. Samen met enkele mede-samenzweerders schreef Honecker aan Brezjnev een brief waarin hij goedkeuring vroeg om Ulbricht af te mogen zetten. Ulbricht zou aan ouderdoms-starheid lijden en te eigenzinnig optreden. “In de omgang met de kameraden van het Politburo en met ander kameraden is hij vaak grof, beledigend, en discussieert hij vanuit een positie van onfeilbaarheid.” Eind oktober 1971 werd Ulbricht aan de kant geschoven; hij kreeg het betekenisloze ambt van voorzitter van de staatsraad. Maar hij werd voor geen enkele vergadering van betekenis meer uitgenodigd. En direct na zijn dood op 1 augustus 1973 werd het werk aan zijn verzamelde geschriften op bevel van hogerhand gestaakt.
Ten slotte
Om het uiteindelijke lot van Ulbricht hoeft men evenmin te treuren als dat Ulbricht zich ooit om andermans leed heeft bekommerd. Ulbricht is verantwoordelijk voor talloze doden, folteringen en voor vele anderszins verwoeste levens. Met zijn Berlijnse Muur heeft hij de facto alle Oost-Duitsers die niet vóór 13 augustus 1961 waren gevlucht, in een openluchtgevangenis opgesloten. Hij opereerde als een kleine Stalin, net als de leiders van de andere Oost-Europese satellietstaten. Ulbricht heeft het alleen nog meer dan achttien jaar na de dood van zijn grote voorbeeld, Stalin, aan de top van de DDR weten uit te houden. Zijn macht binnen de DDR was groot maar werd tenslotte begrensd door de in het Kremlin heersende wil.
Ulbrichts recente biograaf Kowalczuk heeft in totaal ongeveer 2.000 bladzijden aan de man gewijd, in twee banden. De tweede band, over Ulbricht als dictator, telt alleen aan tekst (los van noten en dergelijke) al 746 bladzijden. Kowalczuk merkt in de inleiding op dat een biografie zich op de persoon moet concentreren, en aan context slechts het noodzakelijke moet schetsen. Daaraan heeft de auteur zich zelf niet gehouden. Zijn biografie is eigenlijk bovenal een schets van de verwikkelingen in de top van de SED, de over de DDR heersende communisten. Onder hen was Ulbricht gedurende een kwart eeuw de nummer 1. Maar achter de welhaast machinale bureaucraat Ulbricht komt in het boek geen mens tevoorschijn. Misschien onvermijdelijk, omdat het menselijke in Ulbricht nu eenmaal ontbrak.
De afbeelding komt uit het besproken boek en is door de auteur zelf gemaakt.



Follow Us!