De Sovjet-invasie in Polen: het begin van de totalitaire bezetting

Beata Bruggeman-Sękowska

 

Op 17 september 1939 trokken ongeveer 1 miljoen troepen van het Rode leger over de oostgrens van Polen, waarmee de rode invasie van Polen begon. Het was 16 dagen nadat Nazi-Duitsland Polen vanuit het westen was binnengevallen. De opmars eindigde op 6 oktober 1939 met de verdeling van de hele Tweede Poolse Republiek tussen  Duitsland en de Sovjet-Unie, en de annexatie van beide porties.

 

Op 25 juli 1932 hadden Polen en de Sovjet-Unie in Moskou een non-agressiepact gesloten. De Poolse minister van Buitenlandse Zaken Józef Beck dacht niet dat Stalin politiek toenadering tot Hitler zou zoeken. Maar op 23 augustus 1939 sloten de ministers van Buitenlandse Zaken van de Sovjet-Unie en Nazi-Duitsland, Vjatsjeslav Molotov en Joachim von Ribbentrop, het Molotov-Ribbentroppact. Dit markeerde het begin van een van de donkerste periodes in de recente geschiedenis van ons continent.

 

Het pact bevatte een geheim protocol waarin de verdeling van Centraal-Europa tussen de twee totalitaire staten werd vastgelegd. Zelfs na der Tweede Wereldoorlog zouden talloze Centraal- en Oost-Europeanen onder totalitaire regimes blijven zuchten.

 

Het pact lokte militaire agressie uit en de annexatie van hele staten of regio’s. Het creëerde ook de condities die de Holocaust, de deportaties van naties en bepaalde sociale groepen, massamoord en etnische zuivering mogelijk maakten. Om de herinnering hieraan levend te houden wees het Europees Parlement in 2008 23 augustus aan als de Europese dag ter herinnering aan de slachtoffers van totalitaire regimes.

 

Na een heroïsche verdediging van Warschau viel de hoofdstad op 28 september 1939. Hitler en Stalin beschouwden de militaire strijd in Polen als voorbij. Omdat Duitsland meer gebied had veroverd dan in het geheime protocol was overeengekomen, besloten ze hun overeenkomst te herzien. Daarom werd een speciaal verdrag over de grenzen en vriendschap getekend, het tweede Molotov-Ribbentroppact. Daarin gaf de Sovjet-Unie aan Duitsland het oostelijk deel van Mazovië en de provincie Lublin, terwijl Duitsland ermee instemde dat Litouwen toeviel aan de Sovjet-invloedssfeer. Polen en de Baltische staten werden aldus op wrede manier verdeeld.

 

In de nacht van 9 op 10 februari 1940 begon de Sovjet-Unie aan genocidale gedwongen transporten van de Poolse bevolking. Poolse burgers uit het oostelijk deel van hun land werden gedeporteerd naar Siberië en andere delen van de Sovjet-Unie. Legerofficieren, politiemensen, ambtenaren, landeigenaren, landbezittende boeren en leden van de middenklasse werden als eersten gedeporteerd. De vierde en laatste massa-deportatie eindigde enkele uren voor de Duitse invasie van de Sovjet-Unie op 22 juni 1941. Bij elkaar waren ongeveer 330.000 Poolse burgers (Polen, joden, Belorussen en Oekraïners) naar Kazachstan, Oezbekistan en Siberië gedeporteerd. Velen van hen overleefden de tocht niet door de ondraaglijke omstandigheden en hun behandeling door de Sovjet-Unie.

 

Ook Nazi-Duitsland dwong Polen te migreren. In het voorjaar van 1941 waren ten minste 840.000 mensen uit hun  huizen gezet en van hun bezittingen beroofd. Tussen november 1942 en augustus 1943 ondergingen 300 dorpen in de regio Zamosc, waar 110.000 Polen leefden, een brute gedwongen verhuizing. Na de ineenstorting van de Opstand van Warschau in 1944 volgde een immense exodus van honderdduizenden inwoners van de hoofdstad. In het najaar begon de landverhuizing in Oost-Polen. Polen die ten oosten van de rivier de Boeg leefden (in gebied dat vanwege de overeenkomst tussen de geallieerden niet langer Pools zou zijn) werden westwaarts gedreven; Poolse Oekraïners en Belorussen werden oostwaarts gezonden.

 

In het voorjaar van 1940 vermoordde de NKVD (de voorloper van de KGB), op orders van het Politburo van de Sovjet-Unie van 5 maart 1940, 22.000 burgers van de Poolse Republiek. Onder hen waren 14.500 krijgsgevangenen (die hadden vastgezeten in de kampen Kozelsk, Starobelsk en Ostakhov) en 7.300 gevangenen die in het door de Sovjet-Unie bezette oostelijk deel van Polen waren gearresteerd. De officieren uit Kozelsk werden in Katyn doodgeschoten, die uit Starobelsk in Kharkiv, terwijl de politiemensen uit het kamp Ostakhov in Kalinin werden doodgeschoten. Executie van de gewone gevangenen vond plaats in de gevangenissen van Minsk, Kiev, Kharkiv en Kherson. De Sovjets besloten duizenden van deze weerloze gevangenen te doden omdat zij niet onder de op hen uitgeoefende propaganda bezweken en vurige patriotten bleven, bereid de strijd met de Sovjet-bezetters aan te gaan.