Arthur Koestler, Nacht in de middag

Patrick van Schie

 

Tachtig jaar geleden, eind 1940, verscheen Darkness at noon, vertaald vanuit het Duits. De schrijver, Arthur Koestler, was een oud-communist die door de Grote Terreur (1936-1938) in de Sovjet-Unie zijn illusies had verloren. Hij schreef dit tussen 1938 en 1940 van zich af, in een roman waarin hij de fictieve figuur Roebasjov opvoerde die ‘klaar werd gestoomd’ voor zijn showproces. Roebasjov stond model voor al die toplieden uit de CPSU (Communistische Partij van de Sovjet-Unie) met wie Stalin afrekende omdat ze hem in de weg hadden gestaan of die mogelijk een gevaar voor diens positie vormden. Met andere woorden: elke communist op een positie van enige betekenis die niet uitsluitend een hielenlikker was.

Pas op termijn zou het boek aanslaan. Eind 1940 had de Westerse wereld namelijk andere kopzorgen. Een groot deel van continentaal Europa was een half jaar eerder door Hitlers Derde Rijk onder de voet gelopen. En Groot-Brittannië had zojuist de Battle of Britain doorstaan maar stond nog alleen in de strijd tegen Nazi-Duitsland. Na de Tweede Wereldoorlog kwam er meer aandacht voor Koestlers boek toen de spanningen tussen het Westen en de Sovjet-Unie opliepen. In Frankrijk werden een half miljoen exemplaren verkocht. Een eerste vertaling in het Nederlands verscheen in september 1946. Algauw volgde de ene druk na de andere.

 

De lezer beleeft de Grote Terreur door de ogen van hoofdpersoon Roebasjov, opgesloten in cel nummer 404. Daar krijgt hij mee wat door Roebasjovs hoofd ging, hoe deze via klopsignalen communiceerde met gevangenen in de cellen naast de zijne, zijn herinneringen aan de tijd voor zijn opsluiting alsmede de vele verhoren waaraan hij werd onderworpen. Zijn cel – in lengte 6½ stap – en de verhoorkamer vormen de voornaamste plaatsen van handeling. Roebasjov is een slachtoffer van de wrede willekeur van het systeem, maar we hoeven niet al te veel medelijden met hem te hebben. Hij is (nog altijd) een gelovig topcommunist, die slechts de pech heeft dat hij niet hij maar ‘No. 1’ [Stalin] de dienst uitmaakt in het centrumland van de proletarische Revolutie (dat verder niet bij naam wordt genoemd). Fysieke folteringen blijven Roebasjov bespaard, behalve dan dat hij tijdens zijn derde en laatste lange reeks verhoren amper gelegenheid krijgt om te slapen en er tijdens de ondervragingen een felle en hete lamp op hem wordt gericht. Het is genoeg om hem te doen breken; hij is bereid elke leugenachtige beschuldiging te erkennen mits hem maar nachtrust wordt gegund. Langer dan een enkel uurtje slaap krijgt hij overigens pas nadat de lijst van zelfbeschuldigingen die hij tijdens zijn showproces zal ‘opbiechten’ voldoende is aangegroeid.

Op dit grauwe, neerslachtig stemmende ‘toneel’ zijn het Roebasjovs eigen gedachten die de kern van een communistisch systeem het treffendst omschrijven. Zoals de woorden die hij sprak tot een jonge ‘kameraad’ toen hij zich zelf nog op vrije voeten bevond: ‘De Partij, kameraad, is meer dan jij en ik en duizend anderen zooals jij en ik. De Partij is de belichaming van de revolutionnaire gedachte in de geschiedenis. […] De geschiedenis kent haar weg. Zij begaat geen vergissingen. Hij die geen volledig vertrouwen in de geschiedenis stelt, behoort niet thuis in de rijen van de Partij.’[i] Of, al peinzende in zijn cel komend tot de kern van het communisme: ‘Het individu was niets, de Partij was alles.’

In het dagboek dat Roebasjov in zijn cel bijhoudt schrijft hij minachtend over de liberale rechtsstaat met zijn ‘fair play’. Met haar ‘cricket-moraliteit’ kan geen revolutie worden gemaakt en volbracht. Voor ‘ons, revolutionnairen […] is de vraag van subjectief te goeder trouw van geen belang. Hij die ongelijk heeft moet betalen en hij die gelijk heeft zal worden vrijgesproken. Dat is de wet van het historisch vertrouwen en dat was onze wet.’ Oppositie tegen de partijleiding betekent het hinderen van de revolutie. Wie met de partijleider van mening verschilt moet daarom uit de weg worden geruimd. Dit is de ijskoude en onverbiddelijke logica van de proletarische revolutie.

En passant leerde de lezer in de jaren veertig dat in het land van ‘No 1’ [Stalin] zopas 5 miljoen boeren en hun gezinnen waren vermoord en nog eens 10 miljoen als slaven naar Siberische kampen waren afgevoerd. Of de hoofdfiguur Roebasjov daar zelf erg om rouwt is maar de vraag. Wel overdenkt hij in zijn laatste uren, vlak voor de executie, nog eens het wezen van het communistisch systeem: ‘het “ik” [is] een verdachte kwaliteit. De Partij erkende zijn bestaan niet. De definitie van het individu luidde: een hoeveelheid van een millioen gedeeld door een millioen. De Partij ontkende den vrijen wil van het individu – en tezelfdertijd eischte ze zijn gewilde zelfopoffering.’

[i] De citaten zijn uit mijn 6e druk van juli 1947; vandaar de oude spelling.